Linking Farmers Worldwide
Download Farmers' Charter (PDF)

Wadiaa Khoury Foto: Rob Lancaster
Wadiaa El-Khoury uit Libanon maakte een deel van de reis van Rajmohan Gandhi mee. In Zuid-Afrika, tijdens een bezoek aan Rob-ben Island waar Nelson Mandela achttien jaar gevangen heeft gezeten, maakte ze een sarcastische opmerking over de presentatie van een gids, die een ex-gevangene bleek te zijn. Haar eigen reactie bevreemdde haar. Ze dacht terug aan een Iraakse groep die twee jaar daarvoor Beiroet bezocht en een film liet zien over terroristische aanslagen in Bagdad. De reactie van sommigen van Wadiaa’s vrien-den was hard: ‘Nu weten zij tenminste wat wij hebben meegemaakt in de oorlog van 1975 tot 1990 toen hun geweten op vakantie was. Waarom zouden wij nu medelijden met hen moeten hebben?’
‘Komt het door de pijn die er nog steeds is dat we zo hard zijn geworden’, vroeg Wadiaa zich af. ‘Jaren van conflicten, onder andere de oorlog in Libanon, hebben mijn gevoelens verhard. Ik moet deze waarheid onder ogen zien en ik moet een weg naar innerlijke genezing vinden, niet alleen ter wille van mezelf maar ook van anderen die besmet zijn’.
De afgelopen acht jaar heeft de dertig jarige Wadiaa zich ingezet voor genezing in haar door oorlog verscheurde land. Via haar moeder kwam ze in contact met Initiatives of Change (IC). Omdat Wadiaa mensen wilde leren kennen buiten haar eigen kleine christelijke omgeving, nam ze deel aan het trainingsprogramma Action for Life. ‘Die cursus was het grootste keerpunt in de manier waarop ik tegen mijzelf aankeek’.
Om te beginnen waren de veranderingen persoonlijk en niet gemakkelijk. Zij besefte dat veel van haar relaties een weerspiegeling waren van een slechte vader-dochter verhouding. ‘Mijn vader is een moreel en eerlijk mens, een fijne man, maar omdat hij een ernstig gehoorprobleem heeft kan hij niet goed contacten leggen. Bovendien, hij komt uit een familie waar emoties niet gemakkelijk geuit worden.’
Wadiaa besloot haar vader een brief te schrijven (vanuit India) waarin ze hem vertelde hoeveel ze van hem hield en haar bewondering uitsprak voor zijn geduld.
Deze brief had een enorme uitwerking, niet alleen op haar familie maar ook op haar verhouding met islamitische mede studenten: ’Met hen had ik dezelfde frustraties als met mijn vader: ik kon mijn gevoelens niet communiceren op een manier die ze begrepen. Het was alsof ik tegen een muur sprak. Echter, toen de muur met mijn vader was verdwenen, was het gemakkelijker om de muur met de moslims af te breken.’
In plaats van in Frankrijk te gaan studeren dacht ze meer te kunnen bijdragen door rechten te gaan studeren aan de Libanese Universi-teit in Beiroet. Daar was ze een van drie christelijke studenten tussen 1300 moslim studenten. Ze ontdekte de nieuwe kracht die de brief aan haar vader haar had gegeven.
Ze merkte dat sommige docenten vooroordelen doorgaven aan de studenten. ‘Onschuldige eerstejaars waren tegen het einde van hun studie fanatici geworden.´ Met een klein groepje vrienden ontdekte ze dat er een groot verlangen naar waarheid bestond. ‘We stelden elkaar diepzinnige vragen en hadden vele eerlijke gesprekken, zelfs tijdens de moeilijkste tijden, zoals na de moord op premier Hariri en de oorlog in Libanon.’
Daags na de oorlog bekeek zij met een aantal studenten de gebouwen die door de Israëlische bommen waren vernietigd. Het ergste was voor haar de dood van een vriend uit haar geboorteplaats Zahle. Michael Jbaily begeleidde, als lid van het Rode Kruis team een groot konvooi auto´s die de gevechten tussen de Israëliërs en Hezbollah eenheden ontvluchtten. Hoewel over het konvooi was onder-handeld met de Israëliërs en de VN, werd het toch aangevallen door Israëlische bommen. Jbaily probeerde een gewonde man te hel-pen en werd door een ander projectiel gedood.
Twee maanden lang kon Wadiaa niet huilen, noch bij het zien van zijn lichaam noch bij zijn begrafenis met zijn vrouw en jonge ge-zin. Hoewel ze bad om hulp, ‘want ik ben mezelf aan het kwellen’, de boosheid bleef. Een jaar na zijn dood, schreef Wadiaa: ´Hoe boos ik ook ben, ik weet dat geliefden niet terugkomen en verwoeste gebouwen worden niet herbouwd. Het ergste zou zijn als wij de verwoesting die Israël in de zomer niet kon afmaken nu completeren.’ Een Libanese psycholoog zei in die tijd: ‘De echte strijd bestaat er uit dat we weigeren om zelf monsters te worden.’ Maanden later, nadat ze met zichzelf in gebed had geworsteld en op straat de broer van Michael tegenkwam, kreeg ze een urenlange huilbui.
Terwijl ze in Zuid-Afrika was, dacht ze na over haar ervaringen. ‘Waar ik vandaan kom ben je bijna verplicht om partij te kiezen. In Libanon bepaalt je godsdienstige achtergrond je politiek affiniteit. Maar in Zuid-Afrika vond ik het, misschien voor het eerst, volko-men onmogelijk om partij te kiezen. Aan beide kanten zijn er dezelfde fantastische en beschadigde gemeenschappen. Hoe kan ik men-sen in Zuid-Afrika helpen hun verscheidenheid, meer dan hun goud, op waarde te schatten? Haar verblijf in Zuid-Afrika hielp haar de enorme rijkdom te waarderen die het gevolg is van de christelijk-islamitische samenleving in Libanon: van het handhaven van zowel vrijheid van meningsuiting als van een spiritueel leven, in iedere gemeenschap als ook in het land als geheel.
Gevraagd naar waar ze voor bidt, antwoordt Wadiaa: ‘dat de inspanningen van mensen van goede wil, en die vormen de grote meer-derheid in Libanon, beloond worden. Er is enorm veel werk gestopt in dialoog en verzoening. En ons IC team is daar een klein deel van. Ik bid dat ons werk de stabiliteit van ons land ten goede komt. Ook al zijn we een klein land, en lijden we om het leed wat we om ons heen zien, we kunnen een licht zijn in deze donkere regio als we maar trouw genoeg zijn’.
Carole Khakula
Dit artikel verscheen ook in Ander Nieuws mei / juni 2010